Dit is echt niets voor mij

Dit is echt niets voor mij

‘Grappig om te lezen dat jij in het begin ook zoveel moeite had met ademhalingsoefeningen,’ zegt S. nadat ze een muntthee had besteld.

‘Ah, je bent erin begonnen?’ antwoord ik.

‘Ja, ik ben meteen begonnen. Het leest lekker weg, ik ben bij dag 9.’

‘En, wil jij ook een keer zo’n retraite doen?’

‘Nooit van mijn leven. Tien dagen niet praten doe ik mezelf niet aan. Maar ik wil wel dagelijks weer tijd nemen om te mediteren. Twintig minuten per dag moet toch lukken.’

Een jongen met een pen achter zijn oor komt een muntthee en een cappuccino brengen. S. en ik praten door over mediteren, stilte, ademhalingsoefeningen, verveling en rugpijn.

‘Om mensen te motiveren, zou je die eerste dag op je website moeten zetten,’ zegt S. als we de rekening hebben gevraagd, ‘het is fijn om te weten dat het normaal is, als die oefeningen niet meteen lukken.’

‘Schrikt dat niet af?’ vraag ik, ‘Die eerste dag was echt een ramp. Ik wil niet dat mensen denken dat ademhalingsoefeningen alleen maar afschuwelijk zijn.’

Harde lach. ‘Dat kunnen ze beter van tevoren weten, dan dat ze er pas achter komen als ze beginnen.’

De jongen legt de rekening op ons tafeltje.

S. zegt: ‘Deze is voor mij, als jij hoofdstuk 1 op je website zet. Ik ken nog wel wat mensen die dat hoofdstuk ook moeten lezen.’

‘Deal,’ zeg ik. En we nemen afscheid en fietsen ieder een andere kant op.

Zoals beloofd. Hier het hoofdstuk van dag 1 van Tien dagen stil, mijn stroeve kennismaking met mijn favoriete ademhalingsoefening.

Ademhalingsoefening

Om 4:00 uur staat inderdaad iedereen op. Als we naar de meditatiezaal lopen, is het buiten nog donker. De manier waarop we in stilte de honderd meter naar de zaal lopen, doet me denken aan de film One Flew Over the Cuckoo’s Nest. Gek zijn we. Voor de meditatiezaal is een ruimte waar we onze schoenen uit moeten doen. Ik zie Dreadlockman met zijn armen vol kussentjes. Nu pas valt me op dat er voor de meditatiezaal een kast staat die helemaal gevuld is met meditatiekussentjes, dekens, kleine kussens, grote kussens en meditatieplankjes. Ik kan me niet voorstellen dat een kussentje of een deken mijn houding minder pijnlijk maakt, dus ik pak niets. Op mijn meditatieplek vraag ik me al na twee minuten af waarom ik me ook alweer had ingeschreven, want het lukt me voor geen meter, dat hele mediteren. Ik denk terug aan de instructie van gisteravond.

Concentreer je op je ademhaling in het driehoekige gebied dat begint tussen je ogen – aan de bovenkant van je neus – en dat links en rechts van je neus naar beneden loopt tot de bovenkant van je lip. Je mag je ademhaling enkel observeren. Het is een oefening in opmerkzaamheid.

Die Goenka heeft makkelijk praten met zijn instructies. Ik kan dit niet; mijn knie doet zoveel pijn dat ik onmogelijk op mijn ademhaling kan letten. Goenka komt uit
Birma, zijn Birmezen niet gewoon anders gebouwd dan Nederlanders, zodat ze makkelijker in kleermakerszit kunnen zitten? Of komt het omdat ik jarenlang fanatiek aan wielrennen heb gedaan? 25.000 kilometer per jaar fietsen is misschien helemaal niet zo goed geweest voor mijn knieën. Daarbij kan ik niet zo vroeg opstaan; drie dagen geleden kwam ik om deze tijd thuis en draaide het plafond omdat ik wat te veel Leffe had gedronken. Ik voel me een sukkel. Hoe haal ik het in mijn hoofd om met mijn lijf en zo’n slechte voorbereiding hier te gaan zitten. Na het ontbijt zal ik tegen de manager zeggen dat ik ermee stop. Mediteren is toch niets voor mij, ik ga naar huis.

Maar die gedachte verwerp ik. Mijn vriendin, mijn vrienden, mijn ouders – tegen iedereen heb ik gezegd dat ik tien dagen ga mediteren. Ik kan moeilijk na één dag al stoppen. Tot 1 januari – dat is op dag 5 – blijf ik sowieso zitten, neem ik me voor. Als ik vijf dagen blijf en tien uur per dag mediteer, dan doe ik dat dus vijftig uur. Met één uur mediteren per week zou ik daar een jaar over doen. Dit rekensommetje maakt me heel even blij, dus ga ik rechtop zitten, doe mijn ogen dicht en let weer op mijn ademhaling. Voor even. Want al snel strek ik mijn been om mijn knie te ontlasten. Zo worstel ik mezelf door de eerste twee uur heen. Ik blijf nog geen vijf minuten in dezelfde houding zitten, verplaats mijn been, verander de plek van mijn meditatiekussen. Ik kijk wat rond, vraag me af wat ik hier doe en ik denk aan wat ik ga doen als ik weer ‘vrij’ ben en hier weg mag. Tussendoor let ik soms een halve minuut op mijn ademhaling.

De tijd gaat tergend langzaam en als om half zeven eindelijk de gong gaat, spring ik op en loop snel naar de ontbijtzaal. Het ontbijt is een cadeautje: yoghurt, fruit, cruesli, brood, beleg en thee. Ik vind een plek in de ontbijtzaal, waar we precies met veertig man inpassen, en de man tegenover me knikt en zegt: ‘Eet smakelijk.’ Hij schrikt en trekt een verontschuldigend gezicht omdat hij praat, ik schiet in de lach en begin een appel te schillen. Andere mannen aan tafel kijken naar hun bord en schenken geen aandacht aan ons. Eigenlijk vind ik het wat overdreven dat we niet mogen praten. Wat maakt het nou uit om tijdens de pauzes ervaringen te delen?

Schuin tegenover me zit de man die hier al voor de zevende keer is. Hij lijkt helemaal in zichzelf gekeerd, heeft zijn blik op zijn bord, maar hij kijkt er niet echt naar. Zijn handelingen lijken in slow motion te gaan, het duurt een eeuwigheid voor de lepel van zijn bord bij zijn mond is. Ik wil hem vragen of hij thuis ook zo langzaam eet, maar ik slik mijn vraag tijdig in en bedenk me dat ik niet moet vergeten om het alsnog aan hem te vragen zodra we weer mogen praten. Maar dat duurt nog tien dagen, en ik denk eerlijk gezegd niet dat ik hier over tien dagen nog ben.

De eerste mannen hebben hun ontbijt op en staan zwijgend op. Sommigen maken een wandeling door de tuin terwijl anderen nog een kop thee nemen of richting de slaapvertrekken gaan. Om 8:00 uur begint de volgende meditatie, dus we hebben nu een uur voor onszelf. Ik ben al uren wakker en het liefst zou ik een rondje gaan hardlopen of ergens een cappuccino drinken, maar we mogen niet van het terrein af. Dus schuif ik mijn stoel naar achteren, pak mijn bord en bestek, en spoel het schoon op de aangewezen plek. Dan ga ik buiten op een bankje zitten met een kop thee. Het is koud, van die droge, lekkere kou. Mijn handen warm ik aan mijn kop thee en ik kijk naar de donkere lucht. Gek om de maan te zien terwijl ik al uren wakker ben. Ik kijk naar het schelpenpad dat de eetzaal verbindt met de slaapzaal, tweehonderd meter verderop, en zie verschillende mannen wandelen. Sommigen lopen langzaam en in zichzelf gekeerd, anderen hebben een vlugge tred en hun blik vooruit, alsof ze gewoon op weg zijn naar hun werk en een trein willen halen. Ik voel onbehagen. Het liefst zou ik mijn twijfels over mijn meditatie delen. Hoe doen zij het? Waarom kan ik niet stil blijven zitten? Wat brengt hen hier? Ik kan het natuurlijk aan de leraar vragen straks, maar ik wil daar niet met een ervaren leraar over praten, maar met iemand die ook worstelt en pas net begint.

Ongemerkt observeer ik ook mijn ademhaling. Die is nu rustig. Met de koude lucht is het eenvoudig om mijn ademhaling in mijn neus te voelen. We kunnen beter buiten mediteren op een bankje, in plaats van binnen op een kussentje, denk ik, en ik neem een slok thee.

De uren tussen 8:00 en 11:00, 13:00 en 17:00, en 18:00 en 19:00 uur zijn voor meditatie. Het is een lijdensweg; mijn knie en mijn rug doen steeds meer pijn, dus ik verander eindeloos van houding. Bovendien verveel ik me stierlijk. In gedachten dood ik de tijd door het maken van lijstjes: een lijstje van tien mensen met wie ik beslist weer eens wil afspreken, of een lijstje met tien favoriete biertjes. Aan het eind van de middag probeer ik me zoveel mogelijk titels van Suske en Wiske te herinneren en ik kom bijna aan vijftig alliteraties. Normaal heb ik niet zoveel met Suske en Wiske, maar nu ik de hele dag alleen maar mag zitten en er helemaal geen prikkels van buiten zijn, komen er allerlei gedachten op. Er zit geen enkele logica in.

Het is nogal confronterend dat het me nauwelijks lukt om één minuut alleen maar met mijn aandacht bij mijn ademhaling te zijn. In het laatste uur ga ik meetellen,
om op die manier bij mijn ademhaling te blijven. Tegen het eind van het laatste uur lukt dat bijna twee minuten, terwijl al die andere mannen om mij heen lijken te mediteren als statige Boeddhabeelden. Als de lezing van Goenka begint, ben ik zwaar gefrustreerd en baal ik van mezelf. Ik ben nog niet eens in staat om vijf minuten achter elkaar op mijn ademhaling te letten en voel me een eikel. Waarom kan ik zoiets simpels voor geen meter? Ik voel me een verdwaalde brugklasser met een zware boekentas die de weg naar zijn lokaal kwijt is. Gelukkig komt er ook welkome afleiding.

Iedere avond om 19:00 uur is er een lezing van ongeveer een uur op een televisiescherm in de zaal, waarbij Goenka uitleg en achtergrond bij de meditatie geeft. De lezingen staan in schril contrast met de stille en frustrerende uren mediteren, want Goenka is een geestige verhalenverteller met tevreden pretoogjes.

Lezing dag 1

De eerste dag is vol moeilijkheden en ongemakken, begint Goenka zijn lezing. Pfieuw, ik ben dus niet de enige die dat vindt. Goenka vervolgt: De meditatievorm waar we mee begonnen zijn is de moeilijkste die er is. Het is veel gemakkelijker om naast bewustzijn van de ademhaling ook een woord te herhalen, een mantra of de naam van een god. Maar dat doen we niet. Het enige dat we doen is de ademhaling observeren – zoals zij is – zonder deze te reguleren. Om je geest te concentreren werkt het sneller om er wél een woord of beeld aan toe te voegen, maar dat doen wij juist niet, want concentratie van de geest is niet het doel van deze meditatie. Concentratie is een hulpmiddel. Directe ervaring van de werkelijkheid is essentieel. Ken jezelf: van de oppervlakkige werkelijkheid tot de subtielste werkelijkheid van geest en materie. Om jezelf te leren kennen is het goed om te beginnen met het observeren van je ademhaling. Want als je concentratie oefent met een woord of de gedaante van een godheid, leidt dat tot inbeeldingen in plaats van tot observaties. Verder wordt de techniek sektarisch als er een woord of de gedaante van een godheid gebruikt wordt. Bewustzijn van de ademhaling is universeel. Eigenlijk weet je vanuit je eigen ervaring weinig over je lichaam.

Je kent slechts de buitenkant ervan, de onderdelen en de functies die je bewust kunt controleren. Je weet niets over de interne organen die buiten je controle om werken, niets over de cellen waaruit je hele lichaam is samengesteld en die elk moment veranderen. Overal in het lichaam treden constant ontelbare biochemische en elektromagnetische reacties op, maar je hebt daar geen weet van. Je gaat jezelf nu leren kennen. En de ademhaling werkt als een brug van het bekende naar het onbekende, omdat de ademhaling een functie van het lichaam is, die bewust of onbewust kan zijn, opzettelijk of automatisch. Vandaag werd je gevraagd om alleen de lichamelijke functie van de ademhaling te observeren, maar tegelijkertijd observeerde je ook
de toestand van je geest, omdat de adem van nature sterk verbonden is met de toestand van de geest. Zodra je je ergert of boos bent ga je onregelmatig ademen – sneller en zwaarder. Wanneer je weer kalm en gelijkmoedig bent adem je weer rustig. Adem kan je dus niet alleen helpen bij het onderzoek naar de realiteit van het lichaam, maar ook bij het onderzoek naar de realiteit van de geest.
1

De realiteit van de geest? Dat volg ik even niet. Ik kan me werkelijk niet voorstellen dat enkel het observeren van de ademhaling mij grote inzichten verschaft over mijn complexe brein.

Maar de lezing gaat verder en Goenka beschrijft hierna precies wat ik de hele dag heb ervaren.

Eén realiteit van je geest, die je vandaag begon te ervaren, is de gewoonte om altijd van het ene object naar het andere te dwalen. Je geest kan niet bij de adem blijven: in plaats daarvan dwaalt hij in het wilde weg. Je hebt vandaag gemerkt dat de geest afdwaalt naar óf het verleden óf de toekomst. Dit is de gewoonte van je geest. Daarom leer je als eerste stap om te leven in het huidige moment, door je geest bij een huidige werkelijkheid te houden: de adem die op dit moment de neusgaten inkomt of uitgaat. Wanneer de geest afdwaalt aanvaard je met een glimlach, zonder enige spanning, het feit dat hij door zijn oude gewoonte is afgedwaald. Misschien waren er vandaag slechts enkele momenten waarop je geest volledig geconcentreerd was op de ademhaling, maar elk zo’n moment is heel krachtig in het veranderen van de gewoonte van de geest.

Na de lezing voel ik me beter en iets minder een sukkel. Blijkbaar is het gewoon om nauwelijks langer dan een minuut met aandacht bij mijn ademhaling te kunnen blijven.

In het donker loop ik een rondje door de tuin van het meditatiecentrum en ik overpeins wat er tijdens de lezing gezegd is. Mijn interesse voor ademhaling is begonnen toen, jaren terug, mijn ademhaling met professionele apparatuur gemeten werd omdat ik als wielrenner ook mijn herstel in de gaten hield. Ik zag een grafiek met mijn adempatroon en daaronder een grafiek met mijn hartslag. Het fascineerde me dat ik, door even te pauzeren na een uitademing, mijn hartslag (en bloeddruk) kon laten zakken door simpelweg acht keer per minuut te ademen in plaats van twaalf keer. En het verbaasde me dat er ook mensen waren die meer dan twintig keer per minuut ademden, hoewel ze gewoon op een stoel zaten en fysiek geen inspanning deden. Ik vroeg me vaak af waarom mensen zoveel sneller ademen dan nodig en kwam dan uit bij stress, volle agenda’s, smartphones, te veel keuzes, te veel eten en drinken, te veel zitten op een stoel.

Nooit eerder had ik eraan gedacht dat ademhaling en gedachten direct met elkaar te maken hebben. Is het mogelijk om boos te zijn en tegelijkertijd rustig te ademen? Waarschijnlijk niet. En kun je dan simpelweg rustiger gaan ademen om minder boos te worden? Mijn nieuwsgierigheid naar ademhaling is na de lezing van Goenka weer gegroeid en ik neem me voor om de volgende dag meer mijn best te doen om bij mijn ademhaling te blijven, in plaats van gedachtespelletjes te doen met titels van Suske en Wiske.

Voordat we gaan slapen volgt er nog een korte meditatie van een halfuur, waarna we instructies voor de volgende dag krijgen. Ik ben benieuwd wat we op de tweede dag anders gaan doen. Aandachtig luister ik naar de lage stem van Goenka als hij uitleg geeft.

Vanaf morgen verklein je het gebied van concentratie. In plaats van het driehoekige gebied van de bovenkant van je neus, naar beneden tot het gebied waar een snor kan zitten, concentreer je je morgen enkel op het gebied boven je bovenlip tot het begin van je neusgaten. Dus je schenkt vanaf morgen geen aandacht aan het gebied van je neusgaten. Door het gebied van concentratie te verkleinen, vergroot je de concentratie en de focus. En een hoge concentratie is een belangrijk begin om te leren mediteren.

Nou, ik had op iets spannenders gehoopt. Alleen ín mijn neus voelde ik vandaag mijn ademhaling met enige concentratie; als zelfs dat niet meer mag, heb ik weinig vertrouwen dat dag 2 beter zal gaan. Een uur later lig ik onrustig in bed en kan maar moeilijk in slaap vallen.

Eerste pijl, tweede pijl

Waarom het zo lastig is om met aandacht bij een eenvoudige taak te blijven en waarom ons brein geneigd is alle kanten op te springen en de hele dag te reageren op externe prikkels, wordt mooi beschreven in Boeddha’s brein. Dat mediteren de eerste dag nauwelijks lukt, wijt ik aan de pijn aan mijn knie en de pijn in mijn rug, maar Hanson legt aan de hand van ‘eerste pijl, tweede pijl’ uit dat er meer aan de hand is.

Lichamelijk en geestelijk leed zijn onvermijdelijk en nuttig. Als je een kokendheet glas vastpakt, zorgt de pijn ervoor dat je het glas snel terugzet in plaats van dat je een slok (te) hete thee neemt. Dat we verdriet hebben als een familielid overlijdt is ook begrijpelijk, want we hebben een sterke emotionele band met onze naasten. Dit onvermijdelijk lijden is de eerste pijl. Als we ons hele leven alleen maar eerste pijlen te verwerken kregen, zouden we ons hele bestaan vermoedelijk een blijmoedig en ontspannen leven hebben.

Maar er zijn ook ‘tweede pijlen’: reacties in de vorm van emoties of gedachten die we zelf toevoegen aan de pijn, en die de pijn verdubbelen. En na die verdubbeling volgt wéér een verdubbeling, waardoor de pijn veel groter wordt dan die in werkelijkheid is.

Bij de pijn in mijn knie was het overduidelijk dat niet alleen de échte pijn, de eerste pijl, me dwarszat, want al snel begon ik te denken dat mediteren niets voor mij is, dat ik weg wilde, dat de mensen om me heen veel beter konden mediteren en dat ik er niet bij hoorde. In dit geval was er wel een eerste pijl – de pijn in mijn knie – aanwezig, maar het gebeurt vaak genoeg dat er geen eerste pijl van fysiek of geestelijk leed is, maar dat er wel tweede pijlen worden afgevuurd. Als er geen plek is om mijn fiets op Amsterdam CS te parkeren terwijl ik wel een trein moet halen, vliegen de tweede pijlen me om de oren. Waarom zet de gemeente niet wat meer fietsenrekken neer? En als ik dan om me heen kijk en overal fietsen- rekken zie denk ik: Waarom ben ik niet eerder van huis vertrokken? Waarom ben ik vanmorgen opgehouden door een telefoontje? Waarom heb ik de afspraak op dit tijdstip gepland? Waarom ben ik zo dom om in Utrecht in plaats van in Amsterdam af te spreken?

En zo draai ik rondjes met negatieve gedachten die lang kunnen blijven hangen. Zonder enig nut natuurlijk, want mijn bozige gepieker bezorgt me niet sneller een plek om mijn fiets te stallen en zorgt er ook niet voor dat ik mijn trein kan halen. Wat interessant is, is dat deze negatieve gedachten voor fysiek lijden zorgen. Je voelt het in je lichaam en dat wordt aangewakkerd door lichamelijke mechanismen. In (vrij complex) fysiologisch jargon legt Hanson het uit. Lijden stroomt door je lichaam via het sympathische zenuwstelsel en de as van de hypothalamus, de hypofyse en de bijnieren (AHHB).2

Het orthosympathische zenuwstelsel vormt samen met je parasympathische zenuwstelsel je autonome zenuwstelsel. Vaak wordt de orthosympathicus vergeleken met het gaspedaal van een auto en je parasympathicus met het rempedaal. Het gaspedaal
staat voor alertheid, actie, bovendruk (van de bloeddruk) en een verhoogde hartslag. Het rempedaal staat voor ontspanning, rust, onderdruk (van de bloeddruk) en een verlaagde hartslag. In ontspannen toestand doen beide systemen binnen één ademhaling mee: bij inademing gaat je hartslag wat omhoog (actie) en bij uitademing gaat je hartslag weer omlaag (ontspanning).

De hypothalamus reguleert primaire aandriften zoals honger en seks, en activeert de hypofyse die stresshormonen in gang schiet, waarna ook de bijnieren in actie komen. Goed, maar hoe werkt dat dan met die eerste en tweede pijlen? Er gebeurt iets onaangenaams: je partner zegt iets onaardigs tegen je. Zo’n opmerking kan de alarmbellen in je brein activeren (dat gebeurt in de amygdala, die verbanden legt tussen informatie van verschillende zintuigen en die koppelt aan emoties) en vervolgens komen er diverse reacties op gang:

De thalamus stuurt een ‘alarmfase 1’-signaal naar je hersenstam, die stimulerende noradrenaline door je hersenen stuurt.

Het sympathische zenuwstelsel stuurt signalen naar de grote organen en spiergroepen in je lichaam en bereidt hen voor te vechten of te vluchten.

De hypothalamus, de belangrijkste regulator in je hersenen van je hormonale systeem, zet de hypofyse ertoe aan de bijnieren door te geven dat ze de stresshormonen adrenaline en cortisol moeten afscheiden.

Je staat nu helemaal aan. Omdat je brein geoefend is
om positieve ervaringen op te zoeken en negatieve ervaringen te vermijden, kan één onaardige opmerking een kettingreactie aan fysieke reacties teweegbrengen. Een van de redenen om te mediteren is je brein te oefenen om adequaat te reageren op eerste pijlen en om je niet van de wijs te laten brengen door tweede pijlen. Niet gek dat mediteren (of mindfulness) met regelmaat wordt aangeraden aan mensen met stressgerelateerde klachten. Mensen bij wie het sympathische zenuwstelsel en de as van de hypothalamus, de hypofyse en de bijnieren continu aan staan, kunnen een hele rits aan klachten krijgen. Burn-out is een bekende aandoening
die overduidelijk een gevolg is van een te actieve sympathicus en een parasympathicus die te weinig meedoet. Maar er zijn ontelbaar veel onderzoeken die de overbelasting van het sympathische zenuwstelsel
en de as van de hypothalamus, de hypofyse en de bijnieren in relatie brengen met veel meer aandoeningen, bijvoorbeeld op het gebied van:

  • maag- en darmklachten3: brandend maagzuur, ontsteking van de dikke darm, diarree en constipatie;
  • het immuunsysteem4: vaker griep en verkoudheid, vatbaarder voor infecties;
  • hart- en bloedvaten5: verharding van de slagaders, hartaanvallen;
  • het hormonale systeem: diabetes type II, erectiestoornissen.
    Deze klachten zou je in theorie dus kunnen verminderen met meditatie, als daardoor je orthosympathische systeem zich gedeisd houdt, zodat je parasympathische systeem weer aan bod komt.
    Goenka is in aanraking gekomen met meditatie omdat hij van zijn migraine af wilde. Voor hij meditatie omarmde, was hij een drukbezette zakenman en onderhevig aan veel stress. Hij werd in eerste instantie geweigerd; zijn leraar vond het onzinnig om met deze meditatietechniek aan de gang te gaan, enkel om klachten te verhelpen. Dat je klachten verdwijnen is slechts bijzaak, vond zijn leraar.

Wat je overkomt als je brein überhaupt niet reageert op tweede pijlen, is vele malen krachtiger. Goenka was snel van zijn migraine af, maar de meditatietechniek heeft hem – aan zijn pretoogjes te zien – inderdaad meer gebracht dan dat alleen.

Mij brengt het voorlopig alleen maar pijn aan mijn knie. Hopelijk gaat het morgen wat beter.

De slaapzaal ruikt muf; dat krijg je met acht mannen in één ruimte. Toevallig zitten alle mannen, onder wie Dreadlockman, ook in de meditatiezaal bij me in de buurt. Met de andere zes heb ik natuurlijk geen woord gesproken, maar ook eigenlijk geen oogcontact gehad. Van de man links naast me weet ik eigenlijk maar één ding: hij snurkt behoorlijk. Ik hoop dat hij de komende nacht wat stiller is. Nu we allemaal nog wakker zijn, kleden we ons in stilte om voor de nacht. Als ik ga liggen, word ik overmand door een gevoel van eenzaamheid als ik me realiseer dat ik een kamer deel met zeven mannen die ik niet ken en die mij niet kennen. Sterker nog, op het hele complex met veertig mannen en veertig vrouwen is er niemand die ik ken of die mij een beetje kent. Het enige dat ik zeker weet is dat ik het minste ervaring heb met mediteren en dat ik dus het minste met ze deel van iedereen. Het voelt alsof ik op een verjaardag ben waar de jarige de hele tijd druk is en ik de enige ben die verder niemand anders kent. Ik lig al een tijdje in
bed als de laatste het licht uitdoet. Iemand zegt hardop: ‘Welterusten’ – ik vermoed dat het Dreadlockman is – maar niemand reageert.

Deel dit artikel
Share on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin

Nieuwsbrief
Wil je wekelijks het nieuwste blog, aankondiging van webinars, nieuwe interessante boeken en meer in je mailbox? Meld je dan aan voor onze nieuwsbrief.


Over de auteur

Koen de Jong (1979) loopt hard, fietst graag, ademt rustig en doucht koud. Hij is bedenker van het 100-dagen-sportrustenprogramma en geeft veel presentaties bij bedrijven.

Koen schreef de boeken Verademing (met Bram Bakker), Ik hardloper en De Hardlooprevolutie (met Stans van der Poel), Ik, de wielrenner (met Aart Vierhouten) en Koud kunstje (met Wim Hof). Zijn werk is in meerdere landen vertaald.

Zijn favoriete boek: Momo en de tijdspaarders.

Verder is hij dol op vers gemaaid gras, landkaarten, boekwinkels en ijsvogels.

2 reacties op "Dit is echt niets voor mij"

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.